Cultuurhistorisch Apeldoorn

Uitvergroten

VoorlezenGeschiedenis van Apeldoorn

Als "villa ut marca Appoldro" werd Apeldoorn voor het eerst genoemd in een schenkingsakte uit 792/793.

Geschiedenis

De oudst bekende bewoningssporen binnen de gemeente Apeldoorn dateren uit de Midden-Steentijd (8800-4900 voor Chr.).

Ze bestaan onder andere uit wat gezien wordt als de overblijfselen van een tijdelijke verblijfplaats van een groepje rondtrekkende jagers en verzamelaars.

Rond 2800 voor Chr. trad er een verandering op in de bestaanswijze van de bewoners van de Veluwe met de introductie van de akkerbouw en veeteelt. Deze periode wordt de Nieuwe Steentijd genoemd (5300-2000 voor Chr.). Vanaf dat moment woonde men in permanente nederzettingen en ging men ook aardewerk vervaardigen. De mensen werden met bijgiften begraven in hoge grafheuvels (zie afbeelding). Dergelijke grafheuvels zijn op diverse plaatsen in de gemeente Apeldoorn te zien. Bij deze grafheuvels moeten (boeren)nederzettingen hebben gelegen, maar vreemd genoeg zijn deze nog nauwelijks bekend.

Verschillende locaties die in het Neolithicum bewoond waren, werden ook nog in de Bronstijd (2000-800 voor Chr.) bewoond. Vanaf deze periode werden voor het eerst voorwerpen vervaardigd uit metaal, meer specifiek uit brons. Vóór die tijd werden de gebruiksvoorwerpen vervaardigd uit natuursteen, been of gewei.
Geleidelijk aan maakte het begraven in grafheuvels steeds meer plaats voor het bijzetten van crematies (al dan niet in een urn) in grafheuvels. Dit gebruik werd rond het begin van de IJzertijd (800–12 voor Chr.) weer vervangen door het bijzetten van urnen met crematieresten in lage heuveltjes. Zo ontstonden de urnenvelden die we ook in Apeldoorn tegenkomen. Uit de IJzertijd kennen we in Apeldoorn onder andere ook een complete boerderijplattegrond die is opgegraven aan de Kleine Fluitersweg.

In de Romeinse Tijd vormde de Rijn de noordelijke grens van het Romeinse Rijk. Ten noorden van deze grens lag het “Vrije Germanië”, met de zogenaamde inheemse nederzettingen. In het Apeldoornse gebied dateren slechts enkele vondsten uit deze periode. Na het ineenstorten van het Romeinse Rijk trekt een groot deel van de bevolking weg uit de Lage Landen. Vermoedelijk heeft dit verschillende oorzaken die van zowel klimatologische (het wordt natter) als van economische aard (wegvallen van contacten met de Romeinen) zijn. Nieuwe volken trekken het land binnen. De tijd van de Middeleeuwen vangt aan. De vroegste middeleeuwse vondsten dateren vanaf de 5de eeuw. Een voorbeeld hiervan is een grafveld te Loenen dat in het begin van de 20ste eeuw tevoorschijn is gekomen.

Langzaam begint de bevolking weer toe te nemen. Met de toename van de bevolking nam de behoefte aan grondstoffen toe. Op de Veluwe werd ijzererts in de vorm van klapperstenen gevonden (zie afbeelding). Hieruit werd ter plaatse ijzer gewonnen dat niet alleen voor eigen gebruik maar ook voor de export diende. Van deze industrie zijn nog steeds verschillende kuilen die zijn gegraven voor het winnen van de klapperstenen (bijvoorbeeld op de Asselsche Heide) en de slakkenhopen als afval van de ijzerproductie (bijvoorbeeld in het Orderbos) zichtbaar. Niet alleen de sporen van de ijzerindustrie zelf zijn opgegraven; er zijn ook overblijfselen van een nederzetting op de Braamberg uit de 7de eeuw teruggevonden.

Een belangrijk monument uit de Middeleeuwen is de Hunneschans bij het Uddelermeer, een versterking die rond 900 moet zijn gebouwd. Dit is in de periode waarin vele Vikingaanvallen in de Lage Landen plaatsvonden. Mogelijk speelde deze versterking een rol bij de bewaking van de handelsroute (export van ijzer) vanaf de Veluwe via het Almere (de latere Zuiderzee) naar de gebieden rond de Noordzee.

Vanaf de Middeleeuwen groeiden verschillende kernen uit tot grote nederzettingen. Naast Apeldoorn zijn dat in onze gemeente onder andere Beekbergen en Loenen. Archeologisch weten we nog weinig over die ontwikkeling. Uit deze periode zijn in de jaren ’90 van de vorige eeuw wel twee bijzondere complexen opgegraven: de Mariakerk op het Raadhuisplein en “Schoonbroek” in Apeldoorn-Noord. Schoonbroek was een uit kloostermoppen (een grote soort bakstenen) opgebouwd rechthoekig gebouw met daaromheen een dubbele gracht (zie afbeelding). Het dak was bedekt met leisteen.

Schoonbroek dateert uit het midden van de 14de eeuw. Het kan worden beschouwd als een kasteel of mogelijk als tiendschuur van een zeer welgestelde eigenaar aan wie tienden (belasting, bijvoorbeeld in de vorm van graan) moesten worden afgestaan. Ook in de eerste jaren van het nieuwe millennium zijn weer interessante vondsten gedaan waarbij aan de Zwolseweg onder andere een erf met huisplattegronden uit de Middeleeuwen werd ontdekt en waarbij in Beekbergen een eveneens middeleeuwse nederzetting werd aangetroffen. En zo begint langzaam maar zeker ook meer duidelijk te worden over deze periode.

Villa ut marca Appoldro

Als "villa ut marca Appoldro" werd Apeldoorn voor het eerst genoemd in een schenkingsakte uit 792/793. De plaats zal toen niet meer geweest zijn dan een buurtschap. Maar wel een welvarende, want in die tijd bloeide op de Veluwe de smeedijzerindustrie. Zowel de grondstof, de ijzerhoudende klapperstenen, als de brandstof voor de smeltovens, hout uit de uitgestrekte loofbossen, waren in ruime mate voor handen. Door concurrentie en het schaarser worden van brandstof door overmatige houtkap ging rond 1300 de ijzerindustrie teloor. Tegen die tijd was Apeldoorn inmiddels een kerkdorp geworden.

Papier

In de late middeleeuwen werd het dorp het bestuurlijk en rechterlijk middelpunt van het gelijknamige schoutambt. De grenzen van het ambt kwamen ruwweg overeen met de huidige gemeentegrenzen. Het grootste deel van de bevolking was werkzaam in de landbouw. Dit veranderde niet wezenlijk toen eind 16de eeuw een nieuwe vorm van bedrijvigheid opkwam, de papiernijverheid. In 1593 werd in Apeldoorn aan de Grift de eerste papiermolen gesticht. In de 17de en 18de eeuw zouden er nog vele volgen. De papiernijverheid bleef tot omstreeks 1800 een bloeiende bedrijfstak, waarna zijn betekenis snel afnam. Enkele papiermolens werden gemachinaliseerd en groeiden uit tot de latere grote papierfabrieken. Andere werden omgezet in kopermolens en vanaf de tweede helft van de 19de eeuw in wasserijen.

De Oranjes

Een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van Apeldoorn was de aankoop in 1684 van Huis Het Loo door stadhouder Willem III. Naast het huis, dat te klein was, liet hij naar de smaak van die tijd een imposant nieuw buitenverblijf bouwen, paleis Het Loo. In de perioden 1694-1702 en 1748-1795 bezaten de Oranjes zelfs de bestuurs- en rechtsmacht over (een deel van) het ambt Apeldoorn, dat toen bekend stond als de Hoge Heerlijkheid Het Loo. De stadhouderlijke en later koninklijke familie verbleef met uitzondering van de eerste helft van de negentiende eeuw geregeld, soms zelfs nagenoeg permanent op het paleis. De aanwezigheid van de Oranjes had, zeker ten tijde van koning Willem III en zijn dochter koningin Wilhelmina, in sociale en economische zin een gunstige invloed op de ontwikkeling van Apeldoorn.

Toenemende bedrijvigheid

Deze ontwikkeling verliep in de negentiende, maar vooral in twintigste eeuw af en toe stormachtig. Telde het ambt Apeldoorn in 1795 zo’n 4.400 inwoners, een kleine eeuw later, in 1890, was dit reeds toegenomen tot 19.520. De aanleg van het Apeldoorns kanaal, waarvan het eerste deel naar Hattem in 1829 gereed kwam en het tweede deel naar Dieren in 1869, werkte als een aanjager voor de industrialisatie en groei van Apeldoorn. Hetzelfde kan gezegd worden van de aansluiting van Apeldoorn op het spoorwegennet in 1876. Deze verbeteringen van de infrastructuur leidden er met name in de decennia rond 1900 toe dat steeds meer bedrijven zich in Apeldoorn vestigden. De ontwikkeling van Apeldoorn van dorp tot stad werd steeds duidelijker; in 1940 telde Apeldoorn al 74.447 inwoners.

Gedaanteverwisseling

Hoewel de crisis van de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog zeer zeker niet onopgemerkt aan Apeldoorn voorbij zijn gegaan, hebben zij uiteindelijk geen invloed gehad op de verdere groei. Lange tijd was Apeldoorn zelfs één van snelst groeiende gemeenten van Nederland. De in de jaren zestig ingezette decentralisatie van rijksdiensten, waarvan zich vele in Apeldoorn vestigden, gaf de stad al gauw de bijnaam "Tweede schrijftafel des lands". Om de groeiende bevolking te kunnen huisvesten, werden hele nieuwbouwwijken uit de grond gestampt. Apeldoorn onderging daarbij een ware gedaanteverwisseling. De gemeente behoorde dan ook in 2000 met zijn 153.751 inwoners tot de tien grootste gemeenten van Nederland.

 

|

Textlayers Footernavigatie:

venster sluiten print pagina

Klapperstenen