Wat zoekt u:

Stadsdichter

De stadsdichter is “Poëtisch Ambassadeur van Apeldoorn”. De stadsdichter schrijft gedichten over actuele, lokale, culturele en maatschappelijke thema’s.

De gedichten worden op een ansichtkaart verspreid. Ook zijn er verschillende presentatiemomenten waarop de stadsdichter eigen werk voordraagt. Het stadsdichterschap is in principe voor 2 jaar en de stadsdichter krijgt jaarlijks een bescheiden honorarium. Voor vragen of suggesties: mail stadsdichter@apeldoorn.nl.

Stadsfotograaf

Naast een stadsdichter heeft Apeldoorn ook een stadsfotograaf. In principe werken de fotograaf en de dichter onafhankelijk van elkaar, maar regelmatig brengen zij ook gezamenlijk werk uit.

Aad van der Waal

Aad van der Waal is toneelschrijver, dichter en theatermaker. In 2016 won hij met zijn sonnet ‘Stad van het falend geheugen’ de landelijke stadsgedichtenwedstijd. Ruim 20 jaar was hij het boegbeeld van theater Merlijn in Apeldoorn. Daar gaf hij toneellessen. Ook schreef en regisseerde hij talloze (muziek)theaterstukken. Sinds januari 2017 is hij Stadsdichter van Apeldoorn.


Brief

Mijn woorden zullen grenspalen passeren
Ze vliegen over muur en prikkeldraad 
langs hen waartegen niemand zich kan weren
Despoten; dieven van de dageraad

Er gieren harde, ijzig koude winden 
waar jij destijds je grote offer bracht
Daar – tussen tralies door – zal ik jou vinden 
verminkt wellicht, vernederd of verkracht

Lees daar in al mijn zinnen de bevrijding 
dan maak ik mij zacht los van dit papier 
omhels je troostrijk en zet met mijn tijding 
jouw geestelijke celdeur op een kier

Opdat je voelen kunt dat velen weten 
van je bestaan en dat we jou hier niet vergeten

Geschreven voor Amnesty, december 2017


Voor Louis

Wanneer de dingen langzaam hun contouren 
verliezen in de opmars van de nacht 
weet jij mij niet aflatend te ontroeren 
en blaakt jouw blind vertrouwen hier van kracht 

Het notenschrift was nooit meer dan een landkaart 
die jij inmiddels koersvast dromen kunt  
Jouw ziel, die in zwaar weer geoefend kunst baart  
toont ons de inspiratie; onverdund

Wij zien ’t geheugen met de rafelranden
de onverschrokken hoop, het avontuur
het wonder der herinnerende handen   
de naakte kern, verwarmd door heilig vuur

Hier openbaart zich, puur en energiek 
de onvervreemdbaarheid van jouw muziek


Het huis met de herinneringen

De tranenvrouw heeft foto’s meegenomen
waarop omfloerste, grijs getinte bomen  
in ’t vacuüm van gefixeerde tijd
hetzelfde huis -tot drie maal toe- omzomen

Met (op het pad dat naar de voordeur leidt)
drie oefeningen in afwezigheid
Hij ziet de tranenvrouw zwart wit poseren 
en voelt nu – onverklaarbaar – zachte spijt

Het tweede beeld toont, bij de coniferen 
in evenzeer van kleur gespeende kleren 
een vrolijk zwaaiend (licht bewogen) kind 
omringd door knuffelbare teddyberen  

Zijn blik ontwaart tenslotte gelig grint 
waarop zich een verbleekte man bevindt 
de beide handen voor ’t gezicht geheven 
als schild tegen een zon die hem verblindt

Maar…is dat niet de man die hij zoëven 
toen hij het spiegelvlak had schoon gewreven 
synchroon bewegen zag vol stil verdriet
in de vergeethoek van ’t versplinterd leven?

Hij staart naar plaatjes van een grijs gebied 
met onbewoonde ogen en ziet niet 
dat hij in zijn voormalig onderkomen 
al zijn herinneringen achterliet 


Willem de Eerste

De stad heeft hem destijds het woord gegeven
(de brandstof voor de dichterlijke gids)
Wat aan de tand des tijds zal blijven kleven
naast splinters van het afgebeten spits 

is de herinnering aan ronde glazen
dat blikverruimend venster op de stad
en de gedachtegangen die wij lazen 
in ‘t Prado- tijdschrift of het ochtendblad
 
Hij heeft ooit, toen een zwarte hellewagen
de weerstand van de burgers had verzwakt 
en Apeldoorn voorgoed leek lamgeslagen
daar bij de naald de draad weer opgepakt

en is ons - op de brommer - doelgericht
en troostrijk voorgegaan in het gedicht

© Aad van der Waal  
Voor Willem Bierman, de eerste Stadsdichter van Apeldoorn, bij het verschijnen van diens nieuwe dichtbundel.


Ode aan de redder

Kanalen, muien, plassen of rivieren   
Het aantal (schijn)gestalten is zo groot
Het water bij de steigers en de pieren
belooft ons zachtjes ruisend te plezieren
maar in die levensbron schuilt ook de dood

Nauwlettend speurt het oog van de brigade
(dat vrije wil verweeft met burgerplicht)
vanaf het strand, de oever of de kade
naar de geringste sporen van het kwade
(dat in de diepte op de bodem ligt)

Bereid om (met gevaar voor eigen leven)
‘t verraderlijke water in te gaan 
heeft de brigade (moedig en gedreven)
in weer en wind geschiedenis geschreven 
en viert haar honderdjarige bestaan

Rechtschapen redders legden al die jaren
de basis voor dit vreugdevolle feest
want zonder deze watergeuzen waren
Annet, Jan, Ali, Ushi, Ben en Karen
hier vast niet langer onder ons geweest

Die helden der verdrinkingsdoodbezwering 
die altruïsten zou ik liefst terstond
uit diep ontzag en blijk van mijn waardering 
bij wijze van een passende verering
respectvol willen kussen; mond op mond

@ Aad van der Waal
Juni 2017, ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de reddingsbrigade


Mijn eerste eeuwfeest

100 jaar Hoofdstraat

Verwekt in raadsvergaderingverzoeken 
(verlangend hier de Dorpstraat op te doeken)
Geboren uit een nipte meerderheid 
verscheen mijn naam op kaarten en in boeken

Langs lang vergeelde kartelrandjes glijdt
mijn knarsende geheugen door de tijd
om bruingetinte beelden te onttrekken   
aan spocht, erosie en vergetelheid

Om daar ineens weer tramrails te ontdekken
een bakkerskar en weggesmolten plekken
De Duif, De Gruyter, Jeths en V&D 
(en Appie Happy’s mayonaisevlekken)

Daar lopen in ‘t historisch defilé
de orgelman en scharenslijper mee
bezetters en (nog jonge) Canadezen!
Langs oude gevels golft de mensenzee

Als winkelpromenade valt mijn wezen   
daarna in multicolor bloem te lezen
En nu; op een terras vol zonneschijn
als jubilaris door de stad geprezen        

Ik voel me (bij een goed glas wijn)
mijn eigen Erfgoedfestivalterrein
en hoop - in veel gedaantes - hier nog eeuwen 
een hoofdstraat met een kloppend hart te zijn


© Aad van der Waal
13 juli 2017, ter gelegenheid van Hoofdstraat 100 jaar


Logeetje

Het lampje aan,  je knuffel op het krukje
het speeldoosje, pantoffels op de mat
Daar lig je als een passend puzzelstukje
en vult hier in je slaap een gapend gat

Ik fluister tegen jou en ‘beter weten’
‘Ben jij het echt? Wat heb ik je gemist!’
Ik heb mij (daar ik maar niet kon vergeten)
dit weekend driemaal in jouw naam vergist

Geloof me: Ik zie jou niet als vervanger
of compensatie voor ’t voldongen feit
maar heimelijk wellicht als tegenhanger
van die meedogenloze eenzaamheid

Ik hoop dat je wat troostrijks achterlaat
wanneer je morgen weer naar huis toe gaat

© Aad van der Waal
Ter gelegenheid van de herdenking monument “onvervulde kinderwens”


Paper Art

’t patroon van de verwachting (die beperking
die opgelegde rol, dat ongemak)
zet grenzeloze vrijheidsdrang in werking
Een droom ontworstelt zich aan ’t platte vlak

Papier ontstijgt een vastgelegd verleden
en kruipt hier fantasievol uit haar schulp
Het scheurt zich los van veel wetmatigheden
vermaalt voorspelbaarheid subiet tot pulp

herschept zichzelf in wervelende stormen 
van beelden die men nimmer meer vergeet
verbijstert in de wonderlijkste vormen 
ontvouwt sublieme plannen bij de vleet

Hier valt  (bezoekers kunnen het beamen)
de boodschap naadloos met de drager samen
 
© Aad van der Waal
Juni 2017, ter gelegenheid van de tentoonstelling “Paper Art” in CODA


Erosie van een stad

(een laatste groet)
 
Wat truttig, nee bepaald niet hip
maar wel een collectief begrip
als ‘pa’ of  ‘ma’
Een archetypisch fundament
door elke oude ziel herkend
Ons DNA

Meer dan met AGOVV
of het stadhuis van B&W
of het station
was ik met deze reus vertrouwd
De stad leek er omheen gebouwd
Dit was de bron

Niet Berg en Bos met Lumido
de naald, de tuinen van het Loo
of enig plein
Ik dacht als kind dat er geen stad
een anker als het onze had
Ik was nog klein

De gevel raakt twee letters kwijt
De bakens van mijn kindertijd
Een vreemd idee
dat wat zo lang onkwetsbaar leek
toch voor de tand des tijds bezweek
Dag V&D!

© Aad van der Waal


Mijn zwijgen

Mijn zwijgen is een meisje in mijn hoofd
dat in de schaduw van verborgen woorden
op kousenvoeten door het doolhof sloop
door gangen vol van onraad en van huiver
door vaders’ waarschuwing en moeders’ vrees
Te jong om dit verschuilen te begrijpen
Te oud voor het ontduiken van ’t gevoel

Mijn zwijgen is een meisje in mijn hoofd
dat, ver over de grens van de verbeelding
en grimmiger dan in haar sprookjesboek
de wolken als een roofdier hoorde grommen
Een meisje dat de klinkers in de straat
gegeseld door wel duizend reuzelaarzen
verbeten hoorde kreunen in de storm

Mijn zwijgen is een meisje in mijn hoofd
dat bang werd van haar ouders’ vreemde blikken
verzadigd van ’t versleutelde geheim
dat zich niet door dit kind liet decoderen
maar op haar grijze onderduikadres
de argwaan onophoudelijk bleef voeden
in ruil voor onbezorgde jeugdigheid

Mijn zwijgen is een meisje in mijn hoofd
met aarzeling als lijm tussen de lippen
beducht voor het verraderlijke woord
en met een maag vol ingeslikte zinnen
Een meisje met een dichtgeknepen mond
gespannen in die explosieve stilte
van ’t kille mijnenveld der moedertaal

Mijn zwijgen is een meisje in mijn hoofd
dat geen bevrijding kende na de oorlog
maar in de hel van haar bezette geest
gebukt onder het juk van haar demonen
nog dagelijks gewond raakt in de strijd
en tussen onbeschrijfelijke beelden
niet verder komt dan ’t puntje van mijn tong

Mijn zwijgen is een meisje in mijn hoofd

© Aad van der Waal


Gehoorkanaal

Verzoeknummers? Een lust om aan te vragen!
In sluizen kolkt de pure nostalgie
Straks ruist, om elke oorschelp te behagen
door Apeldoorn een golf van harmonie

Ik wil niet al te snel een oordeel vellen
omtrent concerten op en langs ’t kanaal
maar twist men enkel over decibellen
dan lijkt mij dat toch weinig muzikaal

Ik vrees dat de discussie mijn verzoekje 
toch op z’n zacht gezegd wat overstemt 
en weldra in een stil, vergeten hoekje
de vaart van mijn verwachting is gestremd

Ik spits hier in de buitenwijk de oren
Is straks mijn ‘Sound of Silence’ nog te horen?

© Aad van der Waal


Verduisterd verleden

De lijmresten markeren de locatie
waar gisteren het bord met informatie
aan Apeldoorn’s geheugen werd ontrukt
alsof het er nooit was; die deportatie

Herinneringen werden weggedrukt
alsof ons ‘Bosch’ nooit ruw is leeggeplukt
en elke poging nimmer te vergeten 
vandaag of morgen jammerlijk mislukt

Het zijn historische analfabeten
die (bij de lijmresten) met ‘Nooit geweten’
de loper uitrollen voor ‘Nooit gebeurd’
als elke letter zo wordt weggevreten

Hier werd zelfs de verwijzing weggesleurd
waardoor het heden naar ontkenning geurt 
De plek lijkt zwanger van het Grote Wissen
en met hetzelfde oude gif besmeurd 

Ik ken ze; die herhaaldelijk beslissen
geen acht te slaan op de getuigenissen
en dwalend door verdacht gedachtegoed
zich danig in de loop der tijd vergissen

Ik vrees dat er een wrede oorlog woedt 
in ’t zicht van hun perceptie maar vermoed
dat zij niet klaar zijn voor de confrontatie
wanneer hun Auschwitz straks nog komen moet

© Aad van der Waal

Maart 2017, naar aanleiding van het verdwenen (en later weer gevonden) informatiebord Apeldoornsche Bosch op station Apeldoorn.


Een zachte explosie

Vivaldi wist omtrent de jaargetijden
getuige zijn prestatie van formaat
er indertijd nog vier te onderscheiden
maar met een wat betrouwbaarder klimaat

Hij componeerde onbezorgd en fluitend
zo aan die strenge regelmaat gewend
terwijl men hier wellicht straks nog uitsluitend
een natte en een droge moesson kent

Wist hij dan wel de lente te betrappen
die bij haar langverwachte nadering
vaak aan mijn waakzaamheid wist te ontsnappen?
Waarvan de aankomst mij zo vaak ontging?

Hoe vaak wist zij, voor ik me om kon keren
al zacht achter mijn rug te exploderen?

© Aad van der Waal


De muur spreekt

Er waren zeker eerder soortgenoten
die met hun schervenrichels, meters hoog
als paddenstoelen uit de grond geschoten
de weg versperden naar de dialoog

Ik zag er waarop koeienletters loeiden
‘Pas op’, ‘tot hier’, ‘niet verder’ en ‘keer om’
met voegen waarin haat en argwaan groeiden
verschanst in hun versteende vreeskolom

Vandaag zijn ze vaak blind en zonder deuren 
soms ondergronds; onttrokken aan het oog
Ik ken er die naar spruitjes blijven geuren
of klankbord zijn voor menig demagoog

Hun stijgend aantal lijkt zo onderhand
al op zichzelf een teken aan de wand

© Aad van der Waal


Kus 1

Wie zou in roestvrij staal de liefde zoeken?
De warmte in ’t gewapende beton?
Die combinaties lijken haast te vloeken

Toch blikkeren zij in de ochtendzon
met overtuiging in volmaakte lippen
Verzoening op het plein voor ons station

Een welkomstkus waar niemand aan kan tippen?
Het onvermijdbare van een vaarwel?
Het beeld verenigt strijdige begrippen

En achter dit verheven liefdesspel
de aankomst en ’t vertrek van lange treinen De sporen van een dichterlijk appèl

En tussen mijn verschijnen en verdwijnen de poëzie in even klare lijnen

© Aad van der Waal


Gedichten van Hanz Mirck

Hanz Mirck was stadsdichter van 2014 tot en met 2016. Op de website van Hanz Mirck vindt u meer informatie. 

Selfie

Alle gebouwen die je niet fotografeerde
staan er op, of je ze nu zag of niet
Je kijkt zoals de volle maan ons beneden zich
moet zien liggen in de nacht
En alle Apeldoorners die je nooit ontmoette,
de seizoenen die nog moeten komen
laat jij ons zien, je hebt het geheugen
dat de wind voor alle bladeren moet hebben
Geen foto maar een blauwdruk van een stad
waar een stad is uitgeknipt
en weer in teruggeplakt
Heel dit licht en donker ben ik,
al sta ik niet
op jouw portret

© Hanz Mirck

(Ter gelegenheid van de onthulling van “het portret van Apeldoorn” 27-08-2016)


Zandtovenaar

Onderweg om geteld te worden
Onderweg om een kind te baren
Veilig in de grote optelsom, met de macht van één
Onderweg naar een herberg op vijandelijke bodem

Wie geteld is, is gezien,
het is hoe machthebbers zich meten,
terwijl onze voetstap wegspoelt in de zee van tijd,
de trage golfslag van de eeuwigheid

Wij zijn zandkorrels in de handen
van de Grote Zandtovenaar
Hij strooit ons als peper en zout op de schepping

Kijk hoe hij ons liefdevol laat vallen
Zie ons verstrooid verhaal:
Apeldoorn het Bethlehem van de Veluwe

© Hanz Mirck

Ter gelegenheid van de Zandtovenaar op het marktplein december 2015


Bijzonder

De vrouw die je welkom heet en vraagt
of je suiker gebruikt is de echte koningin
En de grootste vliesvleugelig-gestreepte is niets meer
dan een barende slaaf, te murw om te steken

Bijen dansen in het donker van hun kast lengte en breedte
van de koers naar voedsel: ze kunnen spreken en tellen
Wanneer het dak van hun bestaan wordt gelicht
werken ze devoot door. Hun ware God is de imker

om wie ze hun zeshoekig bestaan bouwen,
voor wie zij zich de rafels in de vleugels vliegen
Zij kennen geen twijfel over het bestaan,

Als je te dichtbij hem komt
knijpt hij zonder een woord
het leven uit je strepen

© Hanz Mirck


Vreemde stemmen

Aan iedereen die mij niet hoort of ziet
Ik ben hier wel ik ben hier niet
Onze wegen hebben elkaar gekruist
Onderweg naar een ander land,
dure reis, lang voor gespaard, naartoe geleefd

Gelukzoeken over dezelfde zee, onder dezelfde zon
Ik met de wijzer mee, u er tegenin, uit de sleur die ik wens
U vindt het te warm, ik te koud, u ontvlucht het werk,
dat ik niet mag doen. U ontvlucht het leven, ik de dood
U bent op vakantie, u hoort mijn lied niet, dat heeft u verdiend

Duurbetaald kortverblijf tegen budgetloos blijven
Een weloverwogen keuze versus de mazen in het hek
Maar we zijn beiden gelukzoekers, we spreken de taal niet,
we zijn vreemde stemmen, niet mooier of minder maar
verder van huis en toch langzaam maar zeker thuis

© Hanz Mirck

Ter gelegenheid van de NJO muziekzomer 2015


Orpheus

Twintig jaar geleden schilderde ik een gedicht op de stoep
van de schouwburg, om beroemd te worden. Er kwam
een stukje in de krant. Maar nu ik omkijk is alles weg
Heilige Hugo Claus ontmoette ik er. Een handtekening rest

Na iedere voorstelling kijk ik bij de deur nog even om –
niets, alleen een gordijn hangt in het donker. Bij concerten
lijkt of je de noten haast kunt aanraken – Na het applaus
alles vervlogen; de schouwburg zelf lijkt soms een droom

Wie omkijkt wist het verleden uit, maar wie in een theater
vooruit kijkt, ziet de wereld echter dan echt
De helden zijn onze vrienden, de paarden ruiken naar leer,

de danseres buigt voor mijn buurman, Apeldoorn houdt
de adem in; heel even is het podium van ons
en de schoonheid voor altijd

© Hanz Mirck


Coda

Ik dacht dat wij regenwormen waren;
we kauwen ons tandeloos door de aarde
verteren het donker, laten alles blind
achter ons, roze en klein als we zijn

We weten wat ons boven het hoofd
hangt; regen van het geheugen,
geheugen van de regen, het tegen-
overgestelde van geheugen: vergiet

We ontmoeten elkaar in de gaten,
tastend in het duister. Knip ons einde
af en er groeit een nieuw begin

aan wat we weten van de wereld
Dat dacht ik. Maar uit de boeken leen ik
het inzicht: je staart naar een eind staart

© Hanz Mirck


Apeldoorn aan zee

Ineens weet je waarom
Apeldoorn op stuifzand woont
omdat hier de zee moet zijn geweest;
nog steeds is het hier zo stil

en stroomt de tijd zo traag
Je haar wappert in de wind:
we mogen de zomer weer voelen
gloeien onder onze blote voeten

Dus smash de skyline over het net,
vier de gelijkmaker met de horizon
tussen je oneindige wimpers
 
Dorstig happen we naar adem en spoelen
de zoute smaak uit onze droge monden;
het cocktailglas tussen onze voldane vinnen

© Hanz Mirck


Soelaasfabriek

Ik smeer de taal als zalf over je oren,
doe je ogen dicht en je bent
-door een directe lijn van neus naar brein-
weer zo zorgeloos als voor er woorden waren

Alle baby’s ruiken hier hypoallergeen
als de directeurdochter,
maar zij niet naar alle baby’s
Alles is hier zwits, alles zalf,  alles Zwitsal

Een schilder toonde de oorsprong van de wereld;
een soezende kloof overschaduwd door struikgewas
Een parfumier bedacht de oorsprong van Apeldoorn

Zo zoet, zo zacht, zo papaver:
een plaats waar je alleen naartoe kunt drijven,
waar alles tot de verbeelding spreekt

© Hanz Mirck
Ter gelegenheid van de opening van Gemaakt in Apeldoorn op Zwitsal op 4 juli 2015


De vrede van de Vlijtseweg


Voor Gijs Numan en Albert van de Scheur

De weg naar de vrede is smal
over stil glinsterend water dat wil stromen
maar moet wachten voor een donkere deur,
in vreugdeloos maanlicht. De deur zelf is de weg

Niet uit het bereik van de lopen maar lopen
naar de kogels toe. Twee mannen doen het
De vrede: wijsgemaakt aan de vijand, niet geloofd
door de bevrijders. Twee mannen vertellen het

De weg naar de vrede is op kousenvoeten
in de vroegste ochtend door de stad, voorbij
de sluimerende sluizen, om de droom niet te wekken

Want de vrede slaapwandelt
zoals de twee mannen die in het donker de weg weten
als het erop aankomt

© Hanz Mirck
april 2015

Geschreven ter gelegenheid van 17 april, Apeldoorns bevrijdingsdag.


Someday my prince will come

Ik staar door muren als ruiten naar buiten
Iedereen kan me zien wassen, verkleden, proberen
te slapen. Niets meer voor mezelf, om te geven aan
wie het dichtst bij mag komen

Mijn glas is van glas, door de barst tussen mijn machteloze
vingers lekt mijn leven op de glimmende vloer
Wat ik eet korrelt in mijn keel
wat ik drink snijdt door mijn lijf

Hard en breekbaar als ik ben,
de vingerafdrukken op mijn oppervlak;
alles breekt op mij, zelfs de kleuren, zelfs het licht

Niemand zo leeg, zo zuiver
zo gloeiend gegoten, zo gestold
als een traan van glas, prins…

© Hanz Mirck (stadsdichter van Apeldoorn)


Piekervaring

De tijd waait ons als Veluws stuifzand rond
Alleen wat groen is of groeit houdt ons bij elkaar
Maar nu we de bomen binnenshuis halen,
uit hun grond, wat kan ik je nu wensen?
Iets verstandigs om te doen? Maar dat vergeet je misschien liever.
Iets gezonds dan? Maar dat lust je niet graag
Iets waar je naar verlangt, van het moment dat de dag donker begint tot hij in het donker weer opgaat?
Maar misschien valt dat tegen
Of kapot. Iets wat je zelf niet had kunnen verzinnen zo mooi?
Dat is goed, maar bedenk jij dat dan ook voor mij?
Zelf kan ik dat niet. Weet je wat ik kan doen?

Ik wens je meer groen. De geur van naald, hars en hulst
Meer groot in het klein. Meer jonge aanplant. Meer groei
Ik wens je een stad in het groen

© Hanz Mirck
december 2014


Geschiedenis van de toekomst

Eerst groeven we een kanaal;
een aansluiting op de wereld
Daarna legden we er een grindpad langs
om sneller naar ginds te geraken
En nu leggen we een glasvezelkabel
zodat de stad glazig als een te laat geoogste
aardappel kan gaan staren naar de glaszuiver
gebrandschilderde ellende
Vriend en vijand razen binnen
over digitaal glasfalt, glasnost
- levensecht en onaanraakbaar
als de luchtbel van de geschiedenis
Gelukkig zal ook dit kanaal eens dichtgroeien,
verzanden voor weer nieuwe wegen

© Hanz Mirck
Ter gelegenheid van de Gelderse Museumdag, zaterdag 18 oktober 2014


Uitstraling

Ik ben de morsemoskee, de sfinx van de Veluwe,
de lege kathedraal van Kootwijk, de Tai Mahal
van het verlangen, de Borobodur van de lange golf,
de Aya Sofia van de ether, dat wat is

maar niet meetbaar is, de bovenlucht
waar de goden fluisteren,
ik kan je woorden naar Bandoeng zenden ,
terwijl je brief hier blijft stop

Mijn galmend zwijgen wil niet zeggen dat mensen
zich niet langer verbinden - nog steeds hoor ik
het fluisteren van de wereld

knisteren in herfstvonken en koelvijvers stop
Om te kunnen zenden is afstand nodig, de hoofdstad
een stoorzender, hier is geen einde stop

© Hanz Mirck


Vogels hebben geen billen

We trapten ons uit de beken los,
klapwiekten ons uit de groote modderkolk
omhoog, de wind langs
Van binnen zijn we trekvogels,

We zweven over de wegen,
weten een ongeschreven route
de hemel in,
de zon achterna

Thermiek brengt ons
waar we wezen moeten,
in de zomer van ons leven,

Tot de glazen belletjes die de dag inluiden
verdampt zijn met ons zweet
en wij rozig opgaan in een wolk

© Hanz Mirck, 27 mei 2014


Ik ben die ik zijn zal

Hoe begin je een koninkrijk? Land ligt er al,
in de ochtendmist. Mensen wonen er al,
net wakker. De koning, hij stapt aan land
Begint het met het graven van een handelskanaal,
van je eigen geld, dwars door je eigen grond,
zodat je land mee kan in de vaart der volkeren?
Sticht men een koninkrijk met een handtekening:
hierbij verklaar ik,
zo waarlijk als ik hier sta
Nee, een koninkrijk begint met tellen,
al slibt het kanaal dicht, roesten de bruggen,
slapen de sluizen, wij tellen nog steeds
vanaf de eerste koning tot aan de handtekening
die lichtend in de raadszaal hangt, brandend
als een koningsblauwe braamstruik

© Hanz Mirck, 26 april 2014


Griftinkt 26

Aanvankelijk aanmodderend, Apeldoorn absorberend als afwaswater,
een verbaasde beekprik in een blauwe Donau; de cadens van calamiteit,
cumulatief als een canzone over de chaostheorie
Ergens in een Eendrachtstraat begint mijn eenmansactie,

facsimile de FAQ van mijn fatum, de feiten feilbaar en pijlbaar,
Glinsterend, gulzig gravend en golvend, grondig en mondig,
geruisloos, gezien en ongezien zo gaarn grammaticaal, huis aan huis
halfautomatisch hardop hengelend, hartroerend en helderziend

Een impuls vormt inmiddels mijn ideaal, illegaal of erkend,
innerlijk idyllische inktvlek. Jobhoppend jagend met jobsgeduld,
jammerlijk jambisch of ongerijmd, kloppende klanken
klotsende katheder, katheter van de stad

Mijn loop is logisch en laveloos, papiermolens moeten malen,
ik meng mezelf murmelend. De makkelijke weg neem ik niet,
opgaand in de omgeving kan ik de onderstroom proeven
en ploeg me puntig door de plaats

Quasi-quatsch is de queuevorming: ritselend ratelende grollen
ruiken het ruisend refrein en stroomversnellend schrijf ik dit
schuimend stroomgedicht met sjeu; een slingerend stadsgewoel,
spelenderwijs spoelend, tergend traag tastend maar uitentreuren urgent

Ik verdiep me verbaasd en verwonderd; verblind en verwachtingsvol
verslag doend voor ik voorbij de V&D verval, de wereld weerspiegelend
in wasserijwater en woordenvloed. Ik ben XS, en yolo,
zo zal ik het zand in zakken, mijn zeepsop zien verzanden

© Hanz Mirck, 2014


Toegiften

Soldaat

Aan de soldaat die Huub van Vreeswijk (17 jaar) uit Apeldoorn nooit gekend heeft

Op de foto hou je triomfantelijk
een zwart-wit gekleurd aapje omhoog;
in volle vlucht uit het leven geschoten

Voor jou kan zo’n aapje niet spreken,
niet troosten, ongemakkelijk kijk je opzij,
ineens is je stoeremannenspel voorbij

Je kent alleen het janken van kogels
en het juichen om wat valt,
de kortdurende vreugde van je sigaret

Al geloof je in de blindheid van de radar
droom je van slimme wapens, verheven doelen -
de onschuld van kinderen staat ver boven jou

© Hanz Mirck, 24 juli 2014


Bouwen in het stiltegebied

Hier heeft u mijn stem, als ik mezelf hoor
lijkt het altijd dat iemand anders zulke dingen zegt
Ik heb mezelf vaak gelukkig geprijsd
met een instrument om trillend onrecht
te uiten, zachtjes dankbaarheid, schreeuwend
recht, fluisterend wat beschamend was
Soms brak hij tussen koopzondagen op het raadhuisplein
Vaak heeft hij nog eerder een antwoord dan ik

Hij groeide met me mee; werd lager
toen ik hoger werd, ik nam mezelf te serieus
Want ik hoor mezelf te graag praten,
zingen met mijn hele lijf, terwijl ik van de stad
nog veel te weinig weet. Hier heeft u mijn stem,
laat hem iets verstandigs zeggen. Alstublieft

© Hanz Mirck


Jagersbloed

O hertenbiefstukje van me, je zoekt een tafeltje,
bejaagd door de man die met de portefeuille
in zijn kontzak door de ober wordt belaagd
die weer door de wind lijkt gejaagd
Maar hier ben je veilig; wij zijn het bos in de winter,
wees trefzeker op onze kaart, mik tussen de bloem-
stukjes en geweien door, schiet een gat
in de rand van het pand aan de overkant
Jagen is haastig wachten op wat tevoorschijn springt,
je geduldig verstoppen voor de bel van de ijsbaan -
voor de Jägermeister
Ach, nu jaag ik alweer, het zit in ons,
groen als een jager, wijs als een vrouw -
eindelijk gevangen zijn is eigenlijk bevrijd worden


© Hanz Mirck
(in opdracht van cafe restaurant hotel De Paris)


April in Paris

Op een dag schrijf je jezelf een brief
namens een gemeente
Een brief om verder te komen
je legt hem op de hoek van je bureau:
weg met het oude, ruimte voor het nieuwe
Geen donker gewelf met gebrandschilderd glas
maar ruimte waar het licht kan spelen
Later kijk je uit over het Raadhuisplein
Nu schrijven een man en een vrouw elkaar
een brief over vooruitgang (ze leggen hem op de bar)
veeg op de koude wind, vergunning voor gastvrijheid
Hoe breder het terras, des te warmer het wordt,
des te eerder de ober ons Parijs kan brengen
op één hand in de zon


© Hanz Mirck
(in opdracht van Cafe Hotel Restaurant De Paris)