Interview en tekst: Inge Smolders
Dit is het verhaal van Theo Köpcke (1936). Tijdens de oorlog ondervonden hij en zijn familie de grote gevolgen van het dragen van een Duitse achternaam. Hij werd geboren in Apeldoorn, zijn beide ouders ook. Alleen opa van vaderskant kwam uit Duitsland. “Als je jong bent, ga je mee in wat er gebeurt. Maar er was altijd een schaduw over wat er was gebeurd in ’40-’45. Je leert zwijgen.”
Als Duitsland in de periode na de Eerste Wereldoorlog steeds meer stukken land verliest, wordt er een wet ingevoerd die bepaalt dat er twee soorten Duitsers zijn. Rijksduitsers (Reichsdeutsche) die binnen het Duitse Rijk wonen. En Volksduitsers (Volksdeutsche), die wel van Duitse families afstammen maar als minderheden in andere Europese landen wonen. Volksduitsers werden vaak als minderwaardig beschouwd en gediscrimineerd.
Dit had weinig invloed, totdat Hitler aan de macht kwam in 1933. Hij zag de Volksduitsers als potentieel machtsmiddel. Zij konden ingezet worden als waarnemers voor Duitse belangen in de landen waar zij woonden.
“In 1937 werden alle Duitsers, waar ook ter wereld, verklaard tot Duitser. Mijn ouders hoorden hier ook bij. Ook al werd er thuis nooit Duits gesproken en waren mijn ouders totaal niet Duitsgezind. In 1939 probeerden mijn ouders zich te laten naturaliseren tot Nederlanders. Maar dat kon niet meer. Ze gingen de oorlog in als stateloos volgens de Nederlandse wet. En als Duitsers volgens de Duitse wet.”
Grootvader uit Mecklenburg
“Mijn grootvader begon in 1910 een chemische wasserij, stomerij en ververij. Eerst aan de Hofstraat, daarna aan de Brinklaan (waar nu Toko Azië zit). De zaken gingen goed, maar grootvader werd ouder. In 1934 namen mijn ouders de zaak over. Omdat opa uit Mecklenburg kwam, net als Prins Hendrik, had hij regelmatig contact met hem. Er kwamen opdrachten vanuit het paleis, en als Prins Hendrik behoefte had om Mecklenburgs te praten, werd grootvader opgeroepen om naar het café te komen.”

Afbeelding: Chemische wasserij, stomerij en ververij aan de Brinklaan in 1929
Aan het begin van de oorlog hebben vader en moeder Köpcke nog een bloeiend bedrijf. Dan krijgen ze opdrachten van de Wehrmacht uit Arnhem. De Wehrmacht wil hun uniformen laten stomen. Die opdracht betekent dat ze altijd voorrang moeten krijgen op andere klanten. Daar hebben de heer en mevrouw Köpcke helemaal geen zin in.
“Mijn ouders overwogen nog om onder te duiken in 1940. Er was veel Nederlandse familie aan moederskant. Maar er was een NSB-burgemeester, en het risico was veel te groot. Door het bedrijf kende iedereen onze familie. De Wehrmacht voerde de druk op en alles had spoed. Moeder zei dat iedereen gewoon op volgorde van binnenkomst werd geholpen.
Een paar dagen later kwam er een brief: een oproep voor Duitse dienst voor mijn vader. Mijn zus en ik moesten naar een Duitse school. Mijn moeder bleef achter met twee kinderen en een zaak die ze alleen moest zien draaiende te houden.”
Naar de Duitse Heuvellaanschool
Omdat er veel stafmensen van de Duitsers in Apeldoorn wonen, is er vanuit het Duitse bestuur behoefte aan een Duitse school. In 1942 wordt die school geopend, met 8 klassen en kookgelegenheid.
“Die school was een verschrikking. We spraken helemaal geen Duits! Dat was van huis uit ook juist tegengehouden. Mijn moeder vond het vreselijk dat ik naar de Duitse school moest en vond dan ook dat ik geen huiswerk hoefde te maken. Mijn leraren en klasgenoten wisten dat mijn ouders anti-Duits waren. Iedere dag moest ik voorin de klas komen en in het Duits zeggen wat ik voor huiswerk had gemaakt. Dat kon ik niet, want ik had geen huiswerk gemaakt. Dan moest ik mijn handen op het bureau leggen, daar sloeg de lerares met een liniaal op. Tot hilariteit van mijn klasgenoten, wat veelal kinderen waren van Duitsers of NSB’ers.”

Afbeelding: Heuvellaanschool in 1984, bron: CODA archief
Vader in dienst
“Mijn vader begon zijn Duitse diensttijd in het Zeeuwse dorpje Kats. Daar werd hij ingekwartierd, maar de mensen merkten al gauw dat hij helemaal geen Duitser was. Rijksduitsers en Volksduitsers konden niet met elkaar opschieten en vertrouwden elkaar niet. Mijn vader kreeg geen munitie, omdat de ‘echte’ Duitsers dachten dat hij ze in de rug zou schieten.”
‘Nederlanders zijn niet bang’
Terwijl vader Köpcke in Duitse dienst is, gaat het leven in Apeldoorn zo goed en kwaad als het kan door. Moeder Köpcke probeert haar hoofd boven water te houden en helpt ondertussen ook nog het verzet.
“In de buurt zat een bakker wiens zoon bij de ondergrondse zat. Als er een razzia dreigde, werden de onderduikers naar ons huis gebracht. Omdat wij ‘Duitsers’ waren, werd er bij ons niet gecontroleerd. Als er een razzia op komst was, hadden we soms wel 8 mensen in huis. Ons huis fungeerde zo als een doorgangshuis voor de ondergrondse.
Op dinsdag 5 september 1944, ‘dolle dinsdag’, denken de Nederlanders dat de bevrijding nabij is. Brussel en Antwerpen zijn bevrijd, en men denkt – versterkt door geruchten – dat de geallieerden ook ieder moment via het zuiden van Nederland zullen oprukken. Vlaggen en oranje vaandels worden tevoorschijn gehaald mensen willen de geallieerden op straat begroeten. Duitsers en NSB’ers raken in paniek. De teleurstelling is groot, wanneer blijkt dat de bevrijding nog langer op zich laat wachten.
“Na dolle dinsdag werd de Duitse school werd gesloten, ze gingen weg. Ik kon naar huis en hoefde niet meer naar school. Ik snapte er niks van, dat ik ineens niet meer naar die vreselijke school hoefde.. Toen we thuis kwamen op dolle dinsdag zei moeder: ‘kom, we verbranden alle Duitse boeken!’ Dat hebben we gedaan, maar ik was heel bang omdat dit natuurlijk niet mocht. En als ik weer naar school moest had ik geen boeken meer. Maar mijn moeder zei: ‘Nee, Duitsers zijn bang. Nederlanders zijn niet bang’.”
Vader op de vlucht
“Via Crailo bij Hilversum werd vader overgeplaatst naar Grave. Daar wist hij onder te duiken bij een boer in Beuningen. Mijn moeder, zusje en ik mochten daar op bezoek komen. In 1944 werd het heel spannend, toen de geallieerden dichtbij kwamen.”
“In september ’44 wilde mijn vader vluchten naar het bevrijde deel van Nederland, richting Eindhoven. Twee maten, mede-Volksduitsers, wilden mee. Toen ze in Uden aangehouden werden door de Amerikanen, viel een van zijn maten door de mand omdat hij met een zwaar Duits accent sprak. Bijna werden ze gefusilleerd tegen de kerkmuur. Maar de pastoor van de kerk stak daar een stokje voor.”
Spannende weken volgen voor de achtergebleven mevrouw Köpcke en haar twee jonge kinderen. Ze weten niet wat er met vader is gebeurd. Tot er een brief komt.
“We kregen na een paar weken van radiostilte bericht uit Engeland. Dat mijn vader mogelijk gevonden was, doodgeschoten. Mijn moeder geloofde dit niet. Wat er echt gebeurd was? Mijn vader werd via België en Frankrijk naar Engeland gebracht als krijgsgevangene. Eind 1945, al ruim na de bevrijding, kregen we toch bericht dat mijn vader in een kamp zat in Engeland. Hij schreef ons kaarten.”
“Mijn ouders stonden heel goed bekend, niemand twijfelde of ze fout waren. Mijn moeder schreef een brief aan Prins Bernhard, ondertekend door verschillende ondernemers uit de buurt (Brinklaan, Hoofdstraat, Nieuwstraat). Nadat die brief naar het Paleis is gegaan, kwam er al snel een telefoontje vanuit Hoek van Holland. Mijn vader: ‘ik sta op het station en kom met de trein naar Apeldoorn.’ We wisten niet wat we hoorden! Prins Bernhard had opdracht gegeven tot onmiddellijke vrijlating. In Hoek van Holland zorgde een bekende stationschef ervoor dat mijn vader – die zonder geld was aangekomen – met de trein naar Apeldoorn kon. Zo kwam hij meer dan een half jaar na de bevrijding, eindelijk thuis.”
De zware tijd na de bevrijding
Na het sluiten van de Duitse school, gaat Theo weer naar zijn oude school in de Koningsstraat. Hij vindt geen aansluiting meer omdat zijn klasgenoten weten dat hij op de Duitse school zat. Hij wordt genegeerd en beleeft weer een vreselijke tijd op school.
Dan is het april 1945, en Apeldoorn wordt eindelijk bevrijd.
“Toen Apeldoorn bevrijd was, waren we blij. Maar toen zei mijn moeder: ‘nu breekt er voor ons een hele zware tijd aan’. Ze kreeg gelijk. Op een dag, vlak na de bevrijding, zaten we te eten toen er werd aangebeld. Mijn zus en ik hoorden moeder huilen en roepen. We werden opgepakt en moesten naar de Willem III kazerne. Moeder zei: “met niemand praten. Ik doe het woord.”
In de Willem III kazerne kwamen we terecht in een kamer met vrouwen en kinderen van de Duitse school. Dat waren echte Duitse vrouwen, die keerden zich af tegen mijn moeder. Onderweg naar een ander gebouw zag mijn moeder een vriend van een neef die bij ons ondergedoken had gezeten. Hij was bij de scouting en hielp bij dit ‘gedoe’ op de kazerne. Hij heeft ervoor gezorgd dat we vrij werden gelaten omdat hij kon vertellen dat wij niks fout hadden gedaan en juist hadden geholpen.”
“Toen vader thuis kwam, had hij het moeilijk. Hij had eigenlijk leraar willen worden, maar dat ging niet. Iedereen kende hem. Een zwager van hem, Karreman, had Stoomwasscherij ‘de Nijverheid’ aan de Veenweg. Hij nam de machines uit onze fabriek over en mijn vader is daar gaan werken. Na jaren ging dat niet meer, door alles wat hij had meegemaakt. De familie Karreman had ook veel meegemaakt in de oorlog. Wim Karreman, mijn neef, was een van de verzetsmannen uit de Vrije Groep Narda die zijn vermoord. Ik heb zijn lijk zien liggen vlakbij het station. Afschuwelijk.”
Nooit over gepraat
“Zelfs mijn beste vrienden wisten niet wat er was gebeurd. Ik praatte er niet over, de schaamte was te groot. Een keer, jaren na de oorlog, ging ik met twee vriendjes naar de bioscoop. Het was de eerste Duitse film die weer getoond werd in de bioscoop, waar nu Café de Paris is. Na de film zei een vriendje: ‘jij verstond zeker alles! Jij bent een Duitser’. Ik werd nog vaak aangekeken op de Duitse achternaam, ondanks dat mijn ouders hier helemaal niets mee te maken hadden.”
“Ik ben pas een paar jaar geleden, ik ben nu 88, begonnen met het vertellen van mijn verhaal. Ik werd geraakt door de Russische inval in Oekraïne en het lot van kinderen daar die ineens Russisch moesten zijn. Daar kreeg ik zoveel last van dat ik er ’s nachts van wakker lag. Toen ben ik naar de huisarts gegaan en vervolgens naar een psycholoog. Daar kon ik eindelijk mijn verhaal vertellen. In datzelfde jaar ben ik mijn verhaal gaan vertellen op scholen in groep 8, en ik ben begonnen bij de Heuvellaanschool.
Dat ik nu mijn verhaal vertel, is tevens een eerbetoon aan mijn ouders, die ongewild geconfronteerd werden met een situatie waar ze zelf niet om gevraagd hadden en hun opgebouwde leven in duigen zagen vallen.”