Bos- en heide vogels in Apeldoorn
Fotograaf: Evelien Schermer
Bos- en heide vogels in Apeldoorn

In de Natuuratlas zijn de vogels ingedeeld op basis van de omgeving waarin ze meestal te vinden zijn. Een aantal van deze soorten vind je ook in andere leefgebieden.

Bos- en heide vogels

Vogels hebben heel lichte maar stevige botten. Door hun lage gewicht, veren en vleugels kunnen de meeste vogels vliegen. Vogels communiceren met elkaar door geluid te maken. Soms zijn dit simpele geluiden die bestaan uit een paar tonen. Maar sommige vogels maken allerlei soorten geluiden. Vooral in de paartijd kun je heel verschillende vogelgeluiden horen.

Vooral in de paartijd kun je heel verschillende vogelgeluiden horen. De meeste soorten bouwen zelf een nest, maar sommige gebruiken de oude nesten van andere vogels. Ze maken nesten in bomen, struiken, op de grond of in gebouwen. Na het paren leggen vogels eieren die ze uitbroeden. Na een paar weken komen de kuikens uit de eieren. Bij een aantal soorten verlaten de kuikens al snel zelf het nest. Soms zorgen de ouders nog een tijd voor de kuikens. Als de kuikens oud genoeg zijn, moeten ze zelf op zoek naar voedsel. Vogels eten verschillende dingen. Roofvogels en uilen eten dieren, zoals kleine zoogdieren, aas, insecten of andere vogels. Andere vogels eten vooral insecten of planten. Vaak kun je aan de snavel zien wat een vogel vooral eet. Zo heeft een roofvogel een scherpe gehaakte snavel waarmee hij een prooi in stukken kan scheuren. En de weidevogel kan met zijn lange spitse snavel in de grond prikken om zo bodemdieren te vinden.

Boomklever
Boomklever. Fotograaf: Joop Weijn
Boomklever
Boomklever in Apeldoorn Bron: NDFF (met toestemming BIJ12 voor publicatie op hogere nauwkeurigheid)

Boomklever

De boomklever (Sitta europaea) loopt veel op en neer tegen de boomstam. Alsof hij er aan vastkleeft. Hij heeft een dolkachtig snaveltje en een vrij opvallend verenpak. Zijn rug en vleugels zijn blauwgrijs, zijn buik is roodbruin. De boomklever broedt vaak in oude spechtennesten, boomgaten en soms in nestkasten. Hij maakt nooit zelf een nestholte. Wel metselt hij de ingang precies op maat dicht met modder. Zodat hij er zelf nog net door kan maar andere vogels niet. De boomklever maakt veel geluid. Eén van zijn roepen herken je direct als je het eenmaal weet: die klinkt als een soort stuiterend of druppelend tuwie-tuwie-tuwie. De boomklever eet verschillende dingen: insecten, zaden, noten en vruchten.

Voorkomen
De boomklever komt vooral in het oosten van Nederland voor. Sinds de jaren ‘80 is het aantal broedende paren verdubbeld. Dat komt omdat de boomklever graag in oude bomen leeft en daar zijn er steeds meer van. Ook in Apeldoorn doet hij het goed. Hier zijn genoeg bossen en parken met oude en hoge bomen. Zoals bij Het Loo, Park Zuidbroek, Landgoed Woudhuizen, Groot Schuylenburg, het Matenpark, rond de Belastingdienst, de Politieacademie en in Malkenschoten. In parken en in de winter komt hij graag op de voedertafel af.

Bedreigingen en kansen
Tegenwoordig worden zieke en dode bomen in het bos meestal niet meer gekapt maar mogen ze blijven staan. En dat is goed nieuws. Spechten maken in die bomen hun nestholtes. En die gebruikt de boomklever daarna weer. Ook geven oudere bomen veel geschikt voedsel voor de boomklevers, eikels bijvoorbeeld.

Terug naar alle bos- en heidevogels Terug naar startpagina Natuuratlas

Geelgors
Geelgors. Fotograaf: Evelien Schermer
Geelgors
Geelgors in Apeldoorn Bron: NDFF (met toestemming BIJ12 voor publicatie op hogere nauwkeurigheid)

Geelgors

De geelgors (Emberiza citrinella) is een zangvogel. Zijn kop en borst zijn geel, op zijn rug is hij bruin. Hij is net iets groter dan de mus. Zijn gezang doet denken aan de vijfde symfonie van Beethoven. De geelgors eet vooral zaden maar in de broedtijd ook wormen en insecten. Hij maakt zijn nest op de grond. Het vrouwtje legt twee tot drie keer per jaar eieren. En per keer zo’n drie tot vijf. Ze zijn wit tot paars van kleur.

Voorkomen
De geelgors is vaak te zien aan de randen van heidevelden. Als het mannetje gaat zingen, doet hij dat vaak vanaf een iets hogere plek. In een vrijstaande boom of struik. De geelgors heeft een voorliefde voor het oosten van Nederland. Je vindt hem het meest in Drenthe, op de Veluwe en in Zuid-Limburg. Rondom Apeldoorn komt de soort onder andere voor op de Loenermark en in Kroondomein Het Loo.

Bedreigingen en kansen
Omdat er minder middelen tegen insecten en onkruid gebruikt worden, gaat het nu veel beter met de geelgors dan in de jaren ’80. Het helpt ook dat er vaker akkerranden worden ingezaaid met bloemen. Hierop is veel lekkers te vinden zoals zaden en insecten.

Terug naar alle bos- en heidevogels Terug naar startpagina Natuuratlas

Groenespecht
Groene specht. Fotograaf: Peter Oosterkamp
Groenespecht
Groene specht in Apeldoorn. Bron: NDFF (met toestemming BIJ12 voor publicatie op hogere nauwkeurigheid)

Groene specht

Deze vrij grote specht (Picus viridis) is een bijzondere vogel. Zijn bovenkant is olijfgroen en hij heeft een gele stuit. Ook heeft hij een rood ‘petje’ op zijn kop en een zwart gezicht. Mannetjes hebben dan ook nog eens een rood ‘baardje’. De groene specht is vaak op de grond te zien, vaker dan andere spechtensoorten. Hier eet hij mieren en mierenlarven, daar is hij gek op. Soms eet hij andere kleine diertjes en bessen. De roep van de groene specht klinkt als een hoge luide lach. Niet schrikken dus, als je in je eentje door het bos wandelt. Zijn nest maakt hij in een boomholte. Tussen april en half mei legt het vrouwtje vijf tot acht witte eieren.

Voorkomen
De groene specht komt vooral in Oost- en Zuid-Nederland veel voor. Het gaat nu weer goed met de soort in Nederland. Hij komt graag op plekken waar bos en oude loofbomen afwisselen met open gebieden. Die plekken zijn er in Apeldoorn genoeg. Je vindt de groene specht in Kroondomein Het Loo, Park Zuidbroek, Landgoed Woudhuizen, Groot Schuylenburg, het Matenpark, rond de Belastingdienst en de Politieacademie en Malkenschoten.

Bedreigingen en kansen
Voor deze specht is het belangrijk dat er voldoende mieren zijn. Mieren verdwijnen soms op plekken door de neerslag van stikstof. De groene specht verdwijnt daar dan ook. Het is belangrijk dat oude loofbomen blijven staan, zodat de groene specht hierin kan nestelen.

Terug naar alle bos- en heidevogels Terug naar startpagina Natuuratlas

Grote bonte specht
Grote bonte specht. Fotograaf: Evelien Schermer
Grote bonte specht
Grote bonte specht in Apeldoorn Bron: NDFF (met toestemming BIJ12 voor publicatie op hogere nauwkeurigheid)

Grote bonte specht

De grote bonte specht (Dendrocopos major) is een zwart-witte vogel. Hij is ongeveer even groot als een merel. Op beide vleugels heeft deze specht een ovale witte vlek. Onder de staart zit altijd een dieprode vlek. Zie je een grote bonte specht met een rode nek? Dan is het een mannetje. Deze specht hoor je soms een hele tijd met zijn snavel hameren op een boomstam. Dan zoekt hij naar kleine beestjes in het hout. Zijn nest hakt hij uit in een boomstam. Dat doet op zo’n drie meter hoogte in een oudere boom. Er komen in Nederland nog twee andere soorten bonte spechten voor. De middelste bonte specht is ongeveer even groot als een spreeuw en heeft altijd een rood petje. De kleine bonte specht heeft geen rood bij de staart en is ongeveer zo groot als een mus.

Voorkomen
De grote bonte specht is de meest voorkomende specht in Nederland. Je kunt hem het hele jaar tegenkomen; in bossen, maar ook in parken en tuinen, soms zelfs op een voedertafel. In dichte bossen op de Veluwe leven de meeste grote bonte spechten van Nederland. Overal waar in Apeldoorn bomen en struiken staan, is de grote bonte specht te zien. Vooral in Kroondomein Het Loo voelt hij zich thuis.

Bedreigingen en kansen
Het aantal grote bonte spechten is sinds 1980 toegenomen. Dat komt doordat we de bossen steeds ouder laten worden en zieke bomen meestal mogen blijven staan. Ook is er meer bos dan vroeger. Hierdoor heeft de grote bonte specht meer kansen om te broeden.

Terug naar alle bos- en heidevogels Terug naar startpagina Natuuratlas

Zwarte specht
Zwarte specht. Fotograaf: Peter Oosterkamp
Zwarte specht
Zwarte specht in Apeldoorn Bron: NDFF (met toestemming BIJ12 voor publicatie op hogere nauwkeurigheid)

Zwarte specht

De zwarte specht (Dryocopus martius) is de grootste specht van Europa. Deze vogel is bijna helemaal zwart. Alleen op zijn kruin, boven op zijn kop, is hij rood. De rode kruin van het vrouwtje is kleiner dan die van het mannetje. De zwarte specht is ongeveer een halve meter lang. Vaak zie je dat de zwarte specht bijna helemaal in een rechte lijn vliegt. Terwijl andere spechten vaak golvend vliegen. De zwarte specht eet mieren, kevers en keverlarven die in boomstammen leven. In de winter leeft hij vooral van mierenhopen en mieren die leven in opgeslagen hout. Elk jaar hakt de zwarte specht in de lente een nieuwe nestholte uit. Andere vogels en zoogdieren nemen zijn oude nesten over, zoals de bosuilen, de holenduif en de boommarter. De zwarte specht is dus belangrijk voor andere dieren. De zwarte specht roffelt veel op takken, en dat kun je al van heel ver horen.

Voorkomen
Sinds 1915 neemt het aantal zwarte spechten toe in Nederland. Je vindt hem vooral in het oosten en zuiden van het land. Hij leeft het liefst in grote naaldbossen met oude beuken of Amerikaanse eiken. De bossen van de Veluwe zijn daarom heel geschikt voor de zwarte specht.

Bedreigingen en kansen
Voor de zwarte specht is het belangrijk dat er open plekken blijven in het bos. Dat is namelijk goed voor de mieren die hij eet. Verder is het belangrijk dat in grote naaldbossen de bomen blijven staan waarin hij kan broeden. Zoals oude beuken, Amerikaanse eiken of grove dennen. Deze broedbomen moeten op rustige plekken staan.  De zwarte specht heeft er veel last van als hij gestoord wordt door wandelaars.

Terug naar alle bos- en heidevogels Terug naar startpagina Natuuratlas

Raaf
Raaf. Fotograaf: Joop Weijn
Raaf
Raaf in Apeldoorn. Bron: NDFF (met toestemming BIJ12 voor publicatie op hogere nauwkeurigheid)

Raaf

De raaf (Corvus corax) is de grootste kraaiensoort. Hij is zo’n 65 centimeter lang. Zie je een helemaal zwarte vogel vliegen met een waaiervormige staart? Dan heb je waarschijnlijk met een raaf te maken. Het is de enige kraai die regelmatig zweeft. De raaf is een alleseter maar dode dieren zijn favoriet. Als de raaf te veel voedsel heeft, verstopt hij het. Hij is een slimme vogel; mensen denken zelfs dat de raaf wolven waarschuwt als hij een zwakke prooi heeft ontdekt. De wolf eet de prooi op en laat de resten over voor de raaf. Paartjes blijven hun hele leven bij elkaar en broeden jaren achter elkaar op dezelfde plek. Jonge vogels leven in het voorjaar in groepen. De raaf is trouwens niet zo’n beste zangvogel. Hij maakt een rauw, rollend geluid (Rà!).

Voorkomen
Rond de Tweede Wereldoorlog was de raaf uitgestorven in Nederland doordat er veel op hem werd gejaagd. Jagers wilden fazanten en hazen beschermen en schapenboeren dachten onterecht dat de raaf het ook op hun schapen gemunt had. In de jaren ‘70 is de raaf opnieuw uitgezet op de Veluwe. Nu leven er enkele honderden broedparen in Nederland. Hij leeft in uitgestrekte gebieden waar bos en heide elkaar afwisselen. De raaf is regelmatig te zien rondom Apeldoorn. Er zijn broedgevallen bekend in Landgoed Woudhuizen, Berg en Bos, Loenen en Radio Kootwijk. De paren in Landgoed Woudhuizen vinden hun voedsel bij afvalverwerker Attero in Wilp. De overige raven eten de prooiresten van de wolf of van dieren die doodgaan door het verkeer. In Radio Kootwijk, op de Loenermark en op plaatsen waar dode dieren in de natuur mogen blijven liggen, heb je de grootste kans een raaf te zien.

Bedreigingen en kansen
Door de terugkeer van de wolf en de resten die hij laat liggen, en het laten liggen van dode dieren in de natuur zal het beter gaan met de raaf.

Terug naar alle bos- en heidevogels Terug naar startpagina Natuuratlas

Draaihals
Draaihals. Fotograaf: Michiel Visch
Draaihals
Draaihals in Apeldoorn. Bron: NDFF (met toestemming BIJ12 voor publicatie op hogere nauwkeurigheid)

Draaihals

De draaihals (Jynx torquilla) is een onopvallende vogel. Zijn veren zijn bruin en hebben strepen. Hierdoor lijkt hij op boomschors. Zo heeft hij een camouflagepak als hij tegen de stam van een boom zit. Hij wordt ongeveer 16 centimeter lang, de spanwijdte is 34 centimeter. De draaihals dankt zijn naam aan zijn flexibele hals die hij in vreemde kronkels kan draaien. De draaihals zit vaak op de grond of op een tak, hierdoor zie je hem niet zo gauw. Hij eet de larven en poppen van mieren. Met zijn kleverige tong haalt hij deze uit mierenhopen. De draaihals broedt in (verrotte) loofbomen zoals berken. Hij maakt zijn nest in de nestholten van andere spechten en soms in nestkasten.

Voorkomen
Sinds 1960 zijn er steeds minder draaihalzen. Het is een diersoort die met uitsterven bedreigd wordt. De draaihals leeft in het bos en op heideterreinen. Je vindt de vogel op de Veluwe en op een paar plekken in het oosten van Nederland. Maar ook op de Veluwe is de soort afgenomen. De draaihals overwintert ten zuiden van de Sahara in Afrika. Rond het einde van april komt hij weer naar Nederland en is hier tot ongeveer eind september.

Bedreigingen en kansen
De draaihals houdt van open plekken in het bos, omdat daar mieren zijn. Het is voor deze vogel belangrijk dat deze plekken open blijven. Er moet daarom minder neerslag van stikstof zijn, want stikstof zorgt er voor dat plekken begroeid raken. Ook helpt het als de draaihals meer broedplekken heeft. Zieke berken laten staan en nieuwe berken aanplanten helpt daarbij.

Terug naar alle bos- en heidevogels Terug naar startpagina Natuuratlas

Nachtzwaluw
Nachtzwaluw. Fotograaf: Joop Weijn
Nachtzwaluw
Nachtzwaluw in Apeldoorn. Bron: NDFF (met toestemming BIJ12 voor publicatie op hogere nauwkeurigheid)

Nachtzwaluw

De nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus) is een mysterieuze vogel. Je ziet hem alleen tijdens de schemer over de heidevelden vliegen. Dan jaagt hij op insecten. Overdag rust hij op een tak of op de grond. Door zijn schutkleuren zien mensen hem bijna niet. Hij is bruingrijs en heeft beige, witte en zwarte vlekken. De nachtzwaluw heeft een heel wijde bek. Vroeger dachten mensen dat hij met deze bek de uiers van geiten leegzoog. Daarom wordt de nachtzwaluw in bepaalde streken geitenmelker genoemd. De nachtzwaluw wordt 24 tot 28 centimeter lang. De spanwijdte van de vleugels is bijna 60 centimeter. Hij maakt geen geluid bij het vliegen en beweegt soepel. Hij gaat biddend en glijdend over de heidevelden. Bidden betekent dat hij stil in de lucht hangt en zoekt naar een prooi. De nachtzwaluw vangt insecten in zijn vlucht. Hij eet graag nachtvlinders, maar ook libellen, kevers en vliegen.

Voorkomen
De nachtzwaluw komt voor op heidevelden, duinen, zandverstuivingen en in open dennenbossen. Hij is een trekvogel: vaak komt hij pas begin mei aan op de Veluwe. Aan het begin van de herfst vertrekt hij weer, naar tropisch Afrika. In Apeldoorn tref je de soort het meest op de Veluwe.

Bedreigingen en kansen
Voor de nachtzwaluw is het niet goed als er te veel stikstof op de heide neerdaalt. Dan groeit er te veel gras of groeit de grond dicht met kleine bomen. De nachtzwaluw broedt namelijk op de kale grond. Als er minder heide is verdwijnen ook de insecten die de nachtzwaluw eet. Loslopende honden en wandelaars kunnen er ook voor zorgen dat de nachtzwaluw niet goed kan broeden. Daarom is het belangrijk dat er plekken zijn waar wandelaars niet komen en waar het heideveld gezond blijft. Ook zorgen gezonde bosranden waar veel insecten voorkomen ervoor dat er genoeg voedsel blijft voor de nachtzwaluw.

Terug naar alle bos- en heidevogels Terug naar startpagina Natuuratlas

Boomleeuwerik
Boomleeuwerik. Fotograaf: Evelien Schermer
Boomleeuwerik
Boomleeuwerik in Apeldoorn. Bron: NDFF (met toestemming BIJ12 voor publicatie op hogere nauwkeurigheid)

Boomleeuwerik

De boomleeuwerik (Lullula arborea) is een vogel met bruine strepen. Hij wordt zo’n 15 centimeter lang. Hij heeft een lange en lichte wenkbrauwstreep en een redelijk korte snavel. Zie je een leeuwerik met een hele korte staart? Dat is dat waarschijnlijk een boomleeuwerik. Maar een boomleeuwerik hoor je vaak eerder dan dat je hem ziet. Tijdens het zingen vliegt hij in grote kringen boven zijn leefgebied. Aan het einde van zijn lied vliegt hij cirkelend naar beneden. Dat heet een spiraalvlucht.

Voorkomen
De boomleeuwerik broedt op de hogere zandgronden en in de duinen. Hij heeft een voorkeur voor heideterreinen en kapvlaktes. Dat zijn stukken bos waar de bomen grotendeels gekapt zijn. Ook vind je hem op brede zandpaden of brandgangen waar zandige open gebieden afwisselen met bomen. De soort leeft het hele jaar in Nederland. Op de Veluwe leven zo’n tweeduizend broedparen. Verder broedt de boomleeuwerik op open heidegebieden, zoals de Asselse Heide, het Caitwickerzand, het Kootwijkerzand, de Hoog Buurlose Heide, ’t Leesten, de Loenermark, de Zilvense Heide en het Uddelse Buurtveld. Maar ook op veel kleinere heideveldjes.

Bedreigingen en kansen
Het gaat goed met de boomleeuwerik. De afgelopen jaren zijn er heel veel boomleeuweriken bij gekomen. Dat betekent niet dat hij op meer verschillende plekken voorkomt. In de duinen komt hij wel minder voor doordat er steeds meer gras op de duinen groeit. We kunnen de soort helpen door de hei goed te beheren. 

Terug naar alle bos- en heidevogels Terug naar startpagina Natuuratlas

Roodborsttapuit
Roodborsttapuit. Fotograaf: Evelien Schermer
Roodborsttapuit
Roodborsttapuit in Apeldoorn. Bron: NDFF (met toestemming BIJ12 voor publicatie op hogere nauwkeurigheid)

Roodborsttapuit

De roodborsttapuit (Saxicola rubicola) is een kleine zangvogel, hij wordt ongeveer 12 centimeter. Het mannetje heeft een oranje borst. Het mannetje heeft een zwarte kop en witte hals. Het vrouwtje is verder bruin van kleur en valt daardoor minder op. Het nestje van de roodborsttapuit is vaak goed verstopt. Dat maakt hij op of net boven de grond, vaak in struiken of aan de rand van de sloot. Op zijn menu staan vooral insecten zoals langpootmuggen en vlinders, maar hij eet ook wormen, spinnen, slakken, zaden en bessen.

Voorkomen
De roodborsttapuit vind je in Nederland op heideterreinen en in de duinen. Maar ook in ruige, open moerasgebieden en boerenland met bosjes, houtwallen en heggen. Hij houdt van halfopen landschappen met weinig begroeiing. Het aantal roodborsttapuiten neemt toe en is de afgelopen tientallen jaren zelfs verdubbeld.

In Apeldoorn is de soort op verschillende plekken gezien. Vaak op de heide, zoals de Hoog Buurlose Heide, Regelbergen, de Asselse Heide, Kootwijkerveen, Uddelse Buurtveld, Het Leesten, Loenermark en de Zilvense Heide. Maar ook in het Beekbergerwoud en op plekken in het landbouwgebied van het IJsseldal.

Bedreigingen en kansen
Het gaat goed met de roodborsttapuit. Dat komt door het herstel van de heide. En omdat de uiterwaarden steeds minder gebruikt worden voor landbouw.  

Terug naar alle bos- en heidevogels Terug naar startpagina Natuuratlas

Uw Reactie
Uw Reactie